Vormen van samenleven.

“Nou.” Zei hij. “Ze gaan zo met elkaar om dat er altijd gezinnen zijn die bestaan uit een man, een vrouw en kinderen. Er zijn ook oma’s en opa’s. Dat zijn de ouders van de man en de vrouw die daarvoor een gezin vormden. Als een jongen oud genoeg is wordt hij verliefd op een meisje uit een ander vergelijkbaar gezin en dat meisje wordt dan verliefd op die jongen. 
Daarna gaan ze trouwen om weer een nieuw gezin te vormen en krijgen dus kinderen. De vader en moeder worden opa en oma en zo begint het weer van voren af aan.”
De leden van de raad keken elkaar wijs aan en sommigen knikten om aan te geven dat ze het begrepen hadden en onder de indruk waren. De leider knikte ook en zij concluderend: “Dus zo gaat het op aarde.” “Nee, nee.” Zei het mannetje hoofdschuddend. “Zo gaat het eigenlijk niet.” 
De leden van de raad keken verward op maar waren wijs genoeg om het mannetje uit te laten praten.
“Het komt ook regelmatig voor dat er geen vader en moeder zijn. Er zijn mannen die met mannen getrouwd zijn en vrouwen met vrouwen. Soms hebben ze wel kinderen en soms niet. Ze hebben niet altijd eigen kinderen maar voeden die van anderen op. Vaak blijven de vader en de moeder niet bij elkaar om oma en opa te worden, ze kunnen ook weer een tweede of derde gezin vormen. Er zijn ook mensen die alleen blijven en meestal krijgen die geen kinderen maar soms wel. Er is eigenlijk een grote diversiteit aan voorkomende situaties.”

De leider knikte nu nog bedachtzamer met halftoegeknepen ogen. “Maar…” En hij liet even een stilte vallen om het belang van zijn vraag aan te geven. “Je zei toch eerst dat ze wel zo met elkaar omgaan. Wat is het nou?” De andere wijzen knikten bevestigend. Dat wilden zij ook wel weten. Het mannetje dacht even na hoe hij dat uit zou kunnen leggen en zei toen: “Terwijl er heel veel verschillende vormen voorkomen gaan ze met elkaar om alsof er maar een manier is. U vroeg me hoe ze met elkaar omgaan. Nou, zo doen ze dat.” De wijzen lieten dit even op zich inwerken en daarna stelde de leider de vraag die iedereen bezighield: “Als er zo verschillen zijn, waarom gaan ze dan met elkaar om alsof er maar een manier is?” Het mannetje knikte bedachtzaam omdat hij die vraag wel verwacht had.

Daarna schudde hij zijn hoofd en zei: “Ik heb geen idee.”